Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) |
Updaten 04.01.2001 |
|
De Nederlanders hadden in Nederlands-Indië tegen vele opstanden te strijden, waarvoor ze een koloniaal leger in stand hielden. In 1819 bereikte dit koloniale leger een troepensterkte van 13.286 man ( 7.820 Europeanen en 5.466 inheemsen). Nadat de opstand van de sultans van Palembang in 1825 (Zuid-Sumatra) met veel moeite en grote verliezen neergeslagen werd, brak een opstand uit onder de leiding van de prins Diponegoro in Centraal-Java. Deze opstand, die in de geschiedenis later als Java-oorlog omschreven werd, duurde vijf jaar. Door hem werd het koloniale leger noodgedwongen met meer dan 24.000 man vermeerderd. Ook op Sumatra ontwikkelt zich een voortdurende crisis. De opstand van de Moslims, aangevoerd door de Padris, (de intelligente), kon pas in 1845 neergeslagen worden. Na het einde van de Java-oorlog in 1830 trad het koloniale leger als een op zichzelf staande strijdmacht op; de relatie tot de strijdkrachten in Nederland werd afgeschaft. Nauwelijks zes jaar later zou dit leger het predikaat "Koninklijke" verliezen. In de begintijd was het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL) een soort vreemdenlegioen, bestaande uit Duitsers, Belgen, Oostenrijkers en zelfs Afrikanen uit de Goudkust, dat destijds tot Nederland hoorde. De oppervlakte van het koloniale bestuursgebied werd in de loop van de 19e eeuw telkens groter, zodat de instandhouding van rust en orde een steeds grotere manschappensterkte eiste. In 1916 bedroeg de troepensterkte van het KNIL bijna 36.000 en op het hoogtepunt in 1940 meer dan 76.000 man. Ook de betrekkingen tussen Europeanen en inheemsen veranderde. Tot aan de Duitse vereniging in 1870 was de verhouding bijna gelijk, na 1921 bedroeg de verhouding Europeanen en inheemsen 1 tegen 4. |
Over de geschiedenis van Nederlands-Indië ![]() ![]() |
Bron:Moluks Historisch Museum, Bintang Design & Communicatie en Restaurant, Saparua, Indonesien (20.12.1998) |